Voortgezet onderwijs

Voortgezet onderwijs

Na het basisonderwijs, stroomt een kind door naar het voortgezet onderwijs. In Nederland zijn er verschillende vormen en niveau’s van voortgezet onderwijs. Scholen bepalen zelf de toelating van leerlingen, maar de basisschool geeft advies in de vorm van bijvoorbeeld de score van een Cito-toets. Maar welke vormen van voortgezet onderwijs zijn er eigenlijk?

 

Praktijkonderwijs

Het praktijkonderwijs is er speciaal voor jongeren die het moeilijk vinden om een diploma te behalen in het ‘reguliere’ voortgezet onderwijs. Het praktijkonderwijs is, zoals de naam al doet vermoeden, helemaal gericht op het werken in de praktijk. Na de opleiding, die zes jaar duurt, kan de leerling meteen aan het werk. Het praktijkonderwijs begeleidt de leerling dus direct naar de arbeidsmarkt.

 

Vmbo

Het voortgezet middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) sluit, net als de andere vormen van voortgezet onderwijs, aan op het basisonderwijs. Het vmbo duurt vier jaar en bereidt de leerling voor op het vervolgonderwijs op het MBO of de havo. Meer dan 60% van alle scholieren in Nederland volgt het voortgezet middelbaar beroepsonderwijs.

 

Havo

Het op één na hoogste niveau in het voortgezet onderwijs in Nederland, wordt gevormd door de havo. De hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) wordt aansluitend op het basisonderwijs gevolgd, maar kan ook gevolgd worden na het vmbo. Op de havo wordt meer aandacht besteed aan taal en wiskunde, waardoor de leerling beter en breder voorbereid wordt voor het hoger beroeps onderwijs. De havo duurt vijf jaar.

 

Vwo

Het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) bereidt de leerling voor op het wetenschappelijk onderwijs (WO) aan de universiteit. Het vwo duurt zes jaar en kent twee verschillende leerwegen: atheneum en gymnasium. Het verschil? Op het gymnasium moet de leerling verplicht kennisnemen van de klassieke talen, terwijl dit bij atheneum niet hoeft. Deze vorm van voortgezet onderwijs is in niveau de hoogste vorm van voortgezet onderwijs in Nederland.